Ik kijk om me heen.
Niemand die het weet.
Iedereen kijkt vragend om zich heen.
Maar iemand krijgt een kleur
en weet wat er gebeurt.
Iemand weet precies wat ik bedoel.
Wie is er jarig? Ja jarig.
Wie is er jarig,
ben jij het soms misschien?
Wie is er jarig? Ja jarig.
Wie is er jarig, kan ik het aan je zien?
Vandaag ben ik jarig.
Iedereen is aardig.
Maar zoenen, dat vind ik maar zo-zo.
Grote dikke pakkerds.
Vieze natte smakkerds.
Van tantes met een pukkel op hun neus.
Wie is er jarig? Ja jarig.
Wie is er jarig,
wie krijgt er straks een zoen?
Wie is er jarig? Ja jarig.
Wie is er jarig,
wie wordt er straks gezoend?
Word je één of twee of drie of meer?
Vier of vijf of zes dit keer?
Zeven, acht, negen of tien?
Elf, twaalf, dertien misschien?
Je krijgt van iedereen cadeaus.
Zoveel dat je ervan bloost.
Ik maak je nu ontzettend blij.
Jij krijgt een dikke zoen van mij!
Jarig. Ja jarig.
Ja jij bent jarig
en jij krijgt straks een zoen.
Ja jij bent jarig. Ja jarig.
Ja jij bent jarig
en jij wordt straks gezoend.
Jarig, ja jarig. (4x)
Ja jij bent jarig. Ja jarig.
‘‘Nou hartelijk gefeliciteerd!’’
Want jij bent jarig. Ja jarig.
‘‘Oh ontzettend proficiat, jongeman!’’
Ja, ja, ja, jarig!
‘‘Nou, je wordt al een hele meid, hoor!’’
Ja jarig.
‘‘Van harte gefeliciteerd!’’
‘‘Zo knul, laat me eens even
aan je wangetjes voelen!’’
Ja jarig.
‘‘Nou kleine meisjes worden groot.
Nog vele jaren!’’
Ja jarig..!